meerbegaafdheid

Meer-begaafde kinderen

Inleiding Wij doen ons best een school te zijn waarin elk kind op zijn/haar eigen manier de kans krijgt om zich optimaal te ontwikkelen. Dit geldt voor kinderen met leerproblemen of een beperking, maar ook voor kinderen met bijzondere talenten. Ons hele onderwijs is erop gericht om kinderen aan te spreken op hun eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheden. Niet van alle kinderen worden dezelfde resultaten verwacht. Het is een constante zoektocht om ieder kind zo goed mogelijk te bedienen. Wij doen dat zo goed mogelijk, maar realiseren ons dat het altijd beter kan en we voortdurend moeten bijstellen.

De basisvaardigheden voor de kernvakken worden aangeboden aan álle kinderen. Hoe lang, hoe vaak en hoe intensief een kind moet oefenen om vaardigheden onder de knie te krijgen kan variëren.

Sommige kinderen ontwikkelen zich uitzonderlijk snel. Kinderen krijgen volop mogelijkheid om projecten, werkstukken, wereld-oriënterende en creatieve opdrachten, presentaties e.d. op hun eigen niveau uit te werken. Wij stimuleren bij alle kinderen een onderzoekende werkhouding. We geven daarbij de kinderen de kans tot samenwerking: Soms met een maatje van hetzelfde niveau een andere keer geven we juist de kans om leiding te nemen of van een ander te leren.

Vaak is deze werkwijze voldoende om aan de behoeften van zowel de meer- als minder begaafde kinderen tegemoet te komen. Een enkele keer blijkt een kind onvoldoende in staat om spontaan zijn/haar eigen talenten aan te wenden.

In dit protocol wordt aangegeven welke stappen gezet worden om kinderen te signaleren én te begeleiden die op één of meer ontwikkelingsgebieden meer dan gemiddeld begaafd zijn.

De meest gebruikte definitie van meer- of hoogbegaafdheid is de definitie van Renzullie en Mönks.

De volgende kenmerken worden omschreven:

      • Hoge intellectuele vermogens: IQ van 130 of hoger.
      • Taakgerichtheid en volharding: doorzettingsvermogen.
      • Creatief vermogen: een denkvermogen dat flexibel is (associatief, origineel en kan buiten de geijkte paden lopen)

Bovenstaande definitie gaat uit van een door onderzoek aangetoonde hoge intelligentie. Wij vinden een dergelijke meting in de meeste gevallen niet interessant. Door gerichte observaties en ervaring denken wij een goede inschatting te kunnen maken van de mogelijkheden van een kind. Ook als het IQ niet boven de 130 ligt, kan een kind soms ‘meer in zijn mars’ hebben. Wij spreken daarom in dit protocol van meer-begaafden.

2. Signaleren van meer-begaafdheid

2.1 Kenmerken van meer-begaafdheid

Het meer-begaafde kind....

      • heeft voorkeur voor moeilijker opdrachten
      • is snel van begrip
      • heeft een hoog leertempo
      • heeft een brede interesse
      • kan snel een probleem analyseren.

2.2.Onderpresteren.

Meer-begaafde kinderen kunnen ook beneden hun niveau presteren.

Ze leveren soms matige schoolprestaties en kunnen een slechte werkhouding hebben. Het is van belang dat we ook deze kinderen naar waarde weten te schatten. Wij hanteren daarom naast onze voortdurende alertheid op mogelijke signalen een structureel signaleringssysteem: stroomschema signalering meerbegaafdheid.

2.3.1 Intake 4–jarigen en de verdere ontwikkeling in de onderbouw

Alle ouders hebben bij aanmelding een intakegesprek. Als een kind op een peuterspeelzaal heeft gezeten vindt, met toestemming van ouders, een overdracht plaats middels een overdrachtsformulier. Na ca. 6 weken op school vindt er een gesprek plaats tussen ouders en de leerkracht.

Al deze informatie bij elkaar geeft een goed beeld van het kind. Wanneer er signalen zijn van meer-begaafdheid kan er een traject van signalering ingezet worden (zie stroomschema) indien nodig met hulp van intern begeleider en / of schoolbegeleider.

Indien blijkt dat een jongste of middelste kleuter een ontwikkelingsvoorsprong heeft gaat de leerkracht in overleg met de ouders. Er kan bijvoorbeeld beslist worden dat een kind al met activiteiten van groep 2 (de oudsten) mee gaat draaien om hem of haar die ontwikkelingskansen te geven waar het kind aan toe is. Als een kind goed presteert kijkt de leerkracht naar allerlei aspecten om een kind vervroegd door te laten gaan.

      • De werkhouding moet goed zijn.
      • Het kind moet langere tijd achter elkaar door kunnen werken, gemotiveerd zijn en ook uit zichzelf kiezen voor moeilijke opdrachten en ontwikkelingsmateriaal.
      • Er wordt gekeken naar de sociale ontwikkeling; Speelt het kind met leeftijdsgenoten of de oudere kinderen, voelt het zich thuis bij deze kinderen en hoe is het kind in de groep opgenomen?
      • Hoe is het met de taalontwikkeling? Het kind moet in goed opgebouwde zinnen spreken, heeft een goede woordenschat, een goede ontwikkeling van het fonetisch bewustzijn en de leesvoorwaarden beheersen.
      • De fijne motoriek moet het voldoende beheersen i.v.m. het leren schrijven.

Bij twijfel maken we gebruik van enkele extra onderzoeksmogelijkheden:

      • Een goede score op de Cito-toetsen Rekenen voor Kleuters en TvK van de oudsten (M2)
      • Op de Leesvoorwaardentoets van Struiksma scoort het kind minimaal voldoende.
      • Pravoo schoolrijpheid is voldoende.

Over het algemeen geldt dat kinderen bij wie overwogen wordt vervroegd naar groep 3 te gaan een duidelijke voorsprong moeten hebben op leeftijdsgenoten. Dit omdat bij veel kinderen in de kleuterleeftijd sprake is van ontwikkelingsvoorsprongen die van tijdelijke aard zijn.

Door de kinderen goed in hun ontwikkeling te volgen en een regelmatig contact met ouders hierover kunnen we ook besluiten tot een extra uitdagend onderwijsaanbod binnen de kleutergroep.

Belangrijk is dat kinderen lekker in hun vel moeten zitten. Kinderen moeten zich veilig voelen, vertrouwen hebben in zichzelf en in anderen, een positief zelfbeeld hebben en sociale contacten kunnen opbouwen en onderhouden.

2.3.2 Screening meer-begaafdheid in de midden- en bovenbouw

Wanneer een kind overgaat naar een andere stamgroep vindt er in alle gevallen een zorgvuldige overdracht tussen de vorige en nieuwe leerkracht plaats. In de eerste weken zal er extra zorgvuldig geobserveerd worden om een compleet beeld van de ontwikkeling van het kind te krijgen. Voor alle kinderen die nieuw instromen in een groep wordt in de eerste schoolweken een ‘screeningslijst meer-begaafdheid’ ingevuld. Dit gebeurt zo vroeg in het schooljaar om het risico van aanpassingsgedrag zoveel mogelijk te beperken. (Meer-begaafde kinderen zijn soms geneigd om onder te presteren om niet ‘op te vallen’ binnen de groep).

Resultaten van de screening worden in de groepsbespreking besproken met de intern begeleider. Indien er duidelijke signalen zijn of er twijfel over deze signalen bestaat, zal er een ‘signaleringslijst’ ingevuld worden voor het betreffende kind om meer inzicht te krijgen.

2.3.3 Signalering meer-begaafdheid

De signaleringslijst voor leerkrachten gaat meer gedetailleerd op kenmerken van meer-begaafdheid in dan de kortere screeningslijst. Soms is het invullen van deze lijst door de leerkracht voldoende om conclusies te kunnen trekken over het al dan niet meer-begaafd zijn.

Wanneer we nog geen duidelijk beeld hebben zullen we ook ouders vragen een signaleringslijst in te vullen. Ook is er de mogelijkheid voor de iets oudere leerlingen (ongeveer vanaf groep 5) om zelf een vragenlijst over leerstijlen en -voorkeuren in te vullen.

Indien vanuit deze signalering duidelijke aanwijzingen voor meer-begaafdheid blijken, zullen we in overleg met intern begeleider (evt. ook schoolbegeleider) en ouders in kaart brengen welke onderwijs- en ondersteuningsbehoeften er voor het betreffende kind zijn.

Middelen voor het in kaart brengen van deze extra behoeften zijn:

      • Doortoetsen: Methodegebonden of methode-onafhankelijke toetsen afnemen om te kijken wat het actuele vaardigheidsniveau van het kind is. (Soms wordt dit middel ook ingezet in de signaleringsfase.) Een meer-begaafd kind heeft niet altijd een duidelijk hoger vaardigheidsniveau, omdat het kind nog geen kennis heeft kunnen maken met leerstof die niet aangeboden is.
      • Kindgesprekken: Kinderen kunnen zelf meedenken over de manier waarop zij graag willen leren. Zij kunnen interesses, leerstijlen, doelen en verwerkingsvoorkeuren aangeven. Ook geeft een kindgesprek veel informatie over de sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind. Voorafgaand aan het kindgesprek kan de leerling gevraagd worden een leerlingenvragenlijst in te vullen (groep 5 t/m 8).
      • Oudergesprekken: Ouders kennen hun kind op een andere manier dan de leerkracht. Wij kunnen veel van elkaar leren door in gesprek te gaan over het gedrag van het kind: Is het kind een onderzoeker? Leest het graag? Vooral gericht op talen of meer richting techniek? etc. Voor ouders is er ook de mogelijkheid om voorafgaand aan het gesprek een vragenlijst in te vullen. Deze vragenlijst wordt door de school aan de ouders aangeboden als er specifieke onderzoeksvragen zijn.

Wanneer bovenstaande middelen onvoldoende duidelijkheid geven, is er de mogelijkheid van consultatie of (intelligentie-) onderzoek door het Onderwijsloket van het Samenwerkingsverband. Hiervoor is altijd schriftelijke toestemming van de ouders nodig en zal nooit aangevraagd worden, zonder dat dit uitvoerig is besproken. Onderzoek wordt alleen door school aangevraagd als we ons ‘handelingsverlegen’ voelen t.a.v. de begeleiding van een kind.

Alle gespreks- en onderzoeksverslagen worden bewaard in het digitaal leerlingendossier.


Meer-begaafd, en dan…..?

Als blijkt dat een kind meer-begaafd is, zal in veel gevallen het onderwijs aangepast moeten worden aan zijn of haar onderwijsbehoefte. In de basis van ons type onderwijs zijn wij al bezig met verregaande differentiatie op zowel inhoud als aanpak. Toch kunnen extra maatregelen gewenst zijn.

Bijvoorbeeld omdat:

      • De methode niet altijd is afgestemd op de leereigenschappen van het kind. De reguliere leerstof doet soms onvoldoende een beroep op de sterke kanten van een kind.
      • Het kind (soms) een didactische voorsprong heeft.
      • Het belangrijk is dat een kind ervaart dat het moeite moet doen om zich kennis eigen te maken, leert vragen te stellen, planmatig onderzoek te doen en hiervan verslag te doen. Meer-begaafde kinderen moeten vaak ‘leren leren’.

Mogelijkheden zijn:

      1. Aanpassen van de instructie: Vooraf bepalen welke kinderen wel of niet of deels met de instructie meedoen.
      2. Verrijken binnen de groep: Het kind krijgt extra stof aangeboden met meer details. Het biedt nieuwe uitdagingen, waardoor verdieping optreedt. Het materiaal zorgt voor een onderzoekende houding. In veel gevallen bieden we de verrijking aan via een ‘persoonlijke werkmap’. Deze map is gevuld met opdrachten die een beroep doen op het ‘hogere-orde-denken’ op gebied van rekenen, taal, wereldoriëntatie en creatief denken. Veel opdrachten zijn ‘vakoverstijgend
      3. Compacten van bepaalde leerstof: Methodegebonden toetsen worden voorafgaand aan het leerstofaanbod afgenomen(spelling, rekenen). Aan de hand van de toetsresultaten wordt bekeken welke oefenstof het kind moet maken. Voor het kind komt er meer tijd vrij. Deze tijd kan worden ingevuld met andere taken. Dit wordt in de weekplanning meegenomen.
      4. Het kind kan op één of meerdere vakgebieden met een hogere jaargroep meedraaien.

Wij zijn, om sociaal-emotionele redenen, terughoudend met versneld doorlopen van de basisschool. Dit betekent niet dat de léérstof niet versneld doorlopen kan worden.

De maatregelen die we nemen worden vastgelegd in het groepsarrangement.

Hierin staan de doelen die we nastreven..

Rekenen:

      • De aanwijzingen en tips die in de methode staan voor de meer begaafde kinderen opvolgen.
      • Het kind maakt voorafgaand aan het blok de toets en volgt instructie en verwerking op de onderdelen waar het minder dan 90% goed had.
      • Het kind maakt aan het eind van het blok die onderdelen waarop het de eerst keer geen goede score had.
      • Het kind maakt opdrachten uit het Plusschrift en/of Rekentoppers.
      • Het kind heeft ruimte voor andersoortige opdrachten in overleg met de leerkracht.

Spelling/taal:

      • Het meer-begaafde kind maakt minder opdrachten.
      • Het meer-begaafde kind maakt opdrachten waarbij samengewerkt moet worden.
      • Het meer-begaafde kind volgt de instructie van nieuwe thema’s / categorieën.

De meeste kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong vinden het fijn om een overzicht van de gehele leerstof te krijgen. Ze weten dan wat er van hen verwacht wordt en waar ze naartoe werken. Kinderen die meer-begaafd zijn kunnen zelfstandig of met een maatje dieper op de stof ingaan.

In enkele gevallen zal verrijken niet voldoende zijn en wordt overgegaan met het volgen van één of meerdere vakken in een hogere groep. Het gaat altijd om maatwerk. We zullen steeds met ouders en kinderen in gesprek blijven om vooral het welbevinden en de ononderbroken ontwikkeling zoveel mogelijk te waarborgen.

We hebben de laatste jaren al behoorlijk wat stappen gezet om het leerstofaanbod voor kinderen met meer mogelijkheden te vergroten. Er zijn groepjes kinderen die een extra taal (bijv. Frans of Engels conversatie) leerden of zich eens per week in zeer ingewikkelde rekenvraagstukken verdiepten. Er is geïnvesteerd in ruimtelijke en technische materialen, etc. Het blijft een voortdurende zoektocht om begeleiding goed te organiseren. Hulp van ouders en vrijwilligers is hierbij altijd van harte welkom.

Soms is het nodig dat kinderen ‘leren leren’. Er wordt voor deze kinderen gezocht naar een mogelijkheid tot coaching binnen of buiten de groep. Samen met kinderen die tegen soortgelijke problemen aanlopen wordt er ingegaan op verschillende vormen van leren, mindset (vast of groeiend), uitdaging en doelen stellen.

Lezen en wereldoriënterende activiteiten:

Wij zoeken steeds naar manieren om aan de behoefte van kinderen tegemoet te komen om zich te verdiepen in eigen interessegebieden. Alle kinderen leren verslagvormen te gebruiken om een zelf-gekozen onderwerp uit te werken. Voor meer-begaafde kinderen is het van belang een goed evenwicht te vinden tussen mentale verdieping en presentatie van de resultaten. Niet alles hoeft in verslagvorm. Soms is het voldoende een mind-map of een aantekeningenlijstje te maken, waarin in korte notities terug te lezen is, waarmee het kind zich bezig heeft gehouden. Kinderen kunnen ook in opdrachtvorm (bijv. aan de hand van ‘Maandtaak’) antwoorden zoeken op leer- en onderzoeksvragen.

Het leesniveau dient op peil gehouden te worden door het bevorderen van de leesmotivatie. Dit betekent dat de kinderen de beschikking moeten hebben over interessant leesmateriaal. De Borgbieb voorziet voor een groot deel in deze behoefte. Kinderen worden daarnaast gestimuleerd om zelf materialen in te brengen en mogen online op zoek naar interessante teksten.

Het werken met Chromebooks biedt voortdurend nieuwe mogelijkheden. We denken hierbij aan het zoeken van informatie, spelen van spellen, gebruik maken van programma’s voor tekstverwerking, presentaties en spreadsheets en het maken en monteren van film- en ander beeldmateriaal.