jenaplan

de Lispeltuut - zo’n school

Hoe wij het bijzonder jenaplan onderwijs voor uw kinderen vorm willen geven:

  • Een katholieke school: verhalen, vieren, levensvragen van kinderen, voorbeeldfiguren en acties voor de medemens. En natuurlijk: normen en waarden, een goede sfeer, een positieve manier van omgaan met elkaar, respect en aandacht voor elkaar.
  • Een jenaplanschool: samen werken aan een fijne leef- en werkgemeenschap, waar­in kinderen, medewerkers en ouders zich thuis voelen.
  • Hierbij stellen wij het kind voorop. In ons opvoedend bezig zijn en met ons onderwijs, willen we de kinderen begeleiden in hun groei naar volwassenheid, die zich kenmerkt door:
    • een persoonlijke stellingname (mens zijn)
    • sociaal gedrag (medemens zijn)
  • Wij willen dat onze school een veilige plek voor uw kinderen wordt. Een plek waar we kinderen gedurende 8 jaar intensief volgen, begeleiden en vormen zodat zij een goede basis krijgen voor hun toekomst.
  • We bedoelen dan de levensbeschouwelijke, intellectuele, creatieve, sociaal-emotionele en lichamelijke ontwikkeling. We willen meehelpen uw kind te laten opgroeien tot een evenwichtig mens. Iemand met aandacht en zorg voor zichzelf, de ander en de omgeving. Dit is ons vertrekpunt bij het omgaan met kinderen en ouders.

Op 1 februari 2002 startte De Lispeltuut met 1 leerling in een noodgebouw in de nieuwbouwwijk De Landerijen te Lelystad. We zijn uitgegroeid tot een school met 11 groepen en bijna 300 kinderen. U vindt ons in het mooie multifunctionele gebouw De Borg aan de Pauwenburg 8 te Lelystad. De Lispeltuut wil een ontmoetingsplaats van mensen zijn. Een leef- en werkgemeenschap waar kinderen (en volwassen) zich ontwikkelen tot mondige, positief kritische, coöperatieve en vooral gelukkige mensen. Reflecteren op het eigen handelen staat voorop.

onze bijzondere kijk op mensen:

  • zijn geneigd goed te doen
  • zien de positieve kant
  • willen met elkaar vieren/genieten
  • vormen een gemeenschap
  • hebben vertrouwen
  • staan open

ONZE VISIE OP LEREN

Kinderen groeien op in een moderne zakelijke samenleving. Een samenleving met een cultuur van meten is weten. Een tijd van rekenen, verrekenen, afrekenen. Wij geloven dat veel niet meetbaar is, dat wezenlijke zaken niet te wegen zijn. Wij hebben de illusie dat we kinderen verrijken, hun inzichten verbreden, hun denkwereld verdiepen als we met hen praten, verhalen, doen, vieren.

2016-05-20 project IK Linde, Robin en Quinta

De nieuwe jenaplanfilm "Vragen stellen" (NJPV)

Tijdens de stamgroepavond, in het begin van het schooljaar, leggen we aan alle ouders uit hoe we in het komend schooljaar aan het werk aan.

stamgroepavond onderbouw 2016-2017
stamgroepavond middenbouw 2016-2017
stamgroepavond bovenbouw presentatie 2015

Wat is Jenaplan?

Een Jenaplanschool is een gemeenschap die kinderen, leraren en ouders omvat. Leraren zijn er professionele opvoeders. Ouders hebben een deel van de opvoeding van hun kinderen aan de school overgedragen, maar ze spelen in het onderwijs op allerlei niveaus een belangrijke rol. Zonder hun medewerking is de school tot weinig in staat. De leraren mogen daarom een bewuste keuze van de ouders voor de school verwachten. Het onderwijs in de school is gericht op de opvoeding van kinderen en omvat daarom veel meer dan het aanleren van schoolse kennis en vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen. Kinderen leren in een Jenaplanschool veel. Ze doen dat door deel te nemen aan de zogenaamde basisactiviteiten: spreken, spelen, werken en vieren. De school gaat er vanuit dat kinderen heel verschillend zijn. Dat wordt niet gezien als hinderlijk, integendeel. Omdat kinderen zo veel van elkaar verschillen kunnen ze veel van elkaar leren. Om die reden worden ze in stamgroepen geplaatst die bestaan uit kinderen van verschillende leeftijden, zoals dat ook in een gezin het geval is.

Elke stamgroep heeft een groepsruimte, een zo huiselijk mogelijke omgeving, die samen met de kinderen ingericht is en beheerd wordt. Zo leren ze verantwoordelijk te zijn voor de ruimte, hun ruimte.

Op De Lispeltuut zitten leerlingen in een 3-jarige stamgroep: 0-1-2 // 3-4-5 // 6-7-8. Wij kiezen hiervoor vanwege de natuurlijkere samenstelling (jongere en oudere kinderen bijeen) en stimuleren er de samenwerking en het van-en-aan-elkaar leren. Heel positief vinden we de veranderende positie van een kind in de stamgroep: van jongste, naar middelste naar oudste. En dan opnieuw jongste, met nieuwe kansen om helemaal tot je recht te komen.

Leren leven met verschillen

Mensen zijn verschillend en dat is maar goed ook. Dan kun je van elkaar leren - mensen van verschillende leeftijd en levenservaring, verschillende rassen en culturen, mannen en vrouwen, verschillende levensbeschouwelijke achtergronden enz. In een Jenaplanschool komen grote verschillen in eigenschappen, achtergronden en capaciteiten voor. Het is onrechtvaardig om die te negeren. Dat gaat ten koste van allen die andere dan gemiddelde mogelijkheden hebben, van zwakkeren die recht hebben op extra hulp en bescherming. Van kinderen die zich in een langzamer tempo ontwikkelen of van kinderen die meer aankunnen dan hun leeftijdsgenoten. Kinderen wordt in een Jenaplanschool geleerd op een rechtvaardige en vreedzame manier met verschillen te leren omgaan. Respect voor anderen en eerbied voor het leven zijn belangrijke waarden in een Jenaplanschool. Een gevolg van het formeren van stamgroepen is dat de positie van kinderen na elk jaar verandert: Een jongste wordt middelste, een middelste wordt oudste, enz. Daardoor doen de kinderen belangrijke sociale ervaringen op. In dit opzicht zelfs meer dan in een gezin mogelijk is. De groepsleid(st)er helpt de kinderen bij dit ingewikkelde leerproces.

Wereldoriëntatie

In een Jenaplanschool is de wereldoriëntatie het belangrijkste vormingsgebied. Kinderen leren daarin om te gaan met de natuur om hen heen, de mensen dichtbij en verder weg en met vragen rond de zin van het leven en de wereld. Dat doen ze door vaak de school uit te gaan en omgekeerd, de wereld in de school te halen: mensen en dingen, te luisteren naar verhalen, door zelf waar te nemen en te experimenteren, zelf vragen te stellen en op zoek te gaan naar antwoorden in een documentatiecentrum en bij mensen met kennis en ervaring. De kinderen zijn, kortom, ontdekkend en onderzoekend bezig, vaak in de vorm van projecten. Zodoende wordt de wereld steeds groter en ruimer en leert het kind zelf een mening te vormen. Het leren op een Jenaplanschool gebeurt in een sfeer waarin een kind zich veilig voelt. Het kind krijgt taken die uitdagend zijn en die het aan kan, die het kind voldoende vrijheid laten voor een eigen invulling, maar die tegelijkertijd geen gelegenheid bieden voor vrijblijvend "meedoen".

Leren is belangrijk

Hoe kom je aan informatie over iets dat je graag wilt weten? Hoe onthoud je het allemaal? Hoe vertel je het aan je groepsgenoten, die ook nieuwsgierig geworden zijn?

Informatie moet vaak gelezen worden. Je kunt informatie goed onthouden als je de kernpunten op kunt schrijven. je kunt anderen mondeling of schriftelijk verslag doen. Om conclusies uit een grafiek te trekken moet je verbanden kunnen leggen. Op de Jenaplanschool is het daarom ook nodig dat je leert lezen, schrijven en rekenen. Om dit soort zaken doelmatig aan te leren wordt er geregeld aan groepen kinderen die aan dezelfde leerstof toe zijn (vorderingengroepen) les gegeven: de instructies. Soms gebeurt dat binnen de stamgroep, soms gaan de vorderingengroepen dwars door de hele school heen, afhankelijk van de schoolgrootte. Kinderen worden gestimuleerd naar hun beste kunnen te presteren. Cijfers komen dan ook niet voor op een Jenaplan-school. Jenaplanscholen kennen een andere rapportagevorm, die meer recht doet aan de totale ontwikkeling van het kind. Herhaald onderzoek heeft aangetoond dat meetbare leerprestaties van kinderen op een Jenaplanschool op het gebied van lezen, schrijven en rekenen/wiskunde even goed zijn als in andere scholen het geval is: dat is opmerkelijk omdat in Jenaplanscholen zo veel meer gebeurt. Een overstap naar een Jenaplanschool voor voortgezet onderwijs is natuurlijk voor kinderen en ouders het meest plezierig; helaas is dat in veel regio's nu nog niet mogelijk.

Basisactiviteiten - gesprek, spel, werk en viering

We onderscheiden vier basisactiviteiten waarin mensen leven en leren; we leren niet alleen door met pen, papier en het hoofd bezig te zijn. Door met elkaar in gesprek te zijn kunnen we elkaar informeren en elkaar leren begrijpen. Tijdens het gesprek in de kring worden de plannen gemaakt en wordt voor een deel het werk besproken. Door samen te spelen, leren we rekening met elkaar te houden. Ook maken we al spelend iets wat we meegemaakt hebben tot iets van onszelf. Onder werk vallen de instructiemomenten en de blokperioden, waarin kinderen zelfstandig met het werk bezig zijn. Door samen te vieren b.v. in een weekopening- of sluiting leren we elkaar wat ons hoofd en hart heeft beziggehouden; we brengen gevoelens op elkaar over. Deze basisactiviteiten wisselen elkaar af. Deze afwisseling is vastgelegd in het ritmisch weekplan.

gesprek

We starten vaak in de kring en meestal wordt de dag ook afgesloten in de kring. In de kring is ruimte voor gezelligheid (viering van verjaardag, spel, vertellen van wat je hebt meegemaakt) en voor overleg over gedrag en werk. Vaak is de kring ook uitgangspunt voor wereldoriëntatie. In de kring heeft iedereen evenveel recht van spreken: kinderen, stamgroepleid(st)er en even­tueel aanwezige ouders.

werk

In de meeste werksituaties zijn alle kinderen met verschillende activiteiten bezig. Het werken gebeurt vooral tijdens het blokuur.

In de onderbouw werken we met een kiessysteem. In de midden- en bovenbouw werken de kinderen met een dag- of weekplanning of in hun agenda. Kinderen maken dit werk zelfstandig (dat kan alleen maar ook samen met anderen). De dag- of weekplanning is zoveel mogelijk aangepast aan de mogelijkheden van de kinderen; zowel kwantitatief (hoeveel werk) als kwalitatief (moeilijkheid, niveau, gestelde eisen).

spel

Door spel kun je gevoelens en emoties verwerken. Evenals bijvoorbeeld lezen en schrijven, moet je ook leren spelen. Dat doen we in de gymles, bij drama en tal van andere activiteiten. Spel komt vooral tot uitdrukking bij: de dagopening, buiten spelen, expressievormen, werkuur, weeksluiting en in de kring.

Door spel kun je gevoelens en emoties verwerken. Evenals bijvoorbeeld lezen en schrijven, moet je ook leren spelen. Dat doen we in de gymles, bij drama en tal van andere activiteiten. Spel komt vooral tot uitdrukking bij: de dagopening, buiten spelen, expressievormen, werkuur, weeksluiting en in de kring.

viering

Samen beleven door kinderen, ouders en medewerkers.

Vieringen zijn bijvoorbeeld:

    • verjaardagen van leerlingen of leerkrachten
    • begin van een project (door leerkrachten voor leerlingen)
    • samen zingen, musiceren, toneelspelen e.d.
    • weeksluiting (wekelijks door kinderen, voor kinderen en ouders)
    • het grote schoolfeest voor alle kinderen en hun familie. In de week van 1 februari, de verjaardag van de Lispeltuut. Na 3 jaren met voorstellingen. Vanaf het 4de jaar houden we een grote spelenkermis. Een mooie traditie.
    • Sinterklaas, Kerst, Pasen, Carnaval enzovoort...

Allemaal verschillend

Zoals alle mensen verschillend zijn, ook al zijn ze lid van een groep, zo zijn ook alle Jenaplanscholen verschillend. Een stadsschool zal anders zijn dan een streekschool. Elk team heeft weer andere sterke en zwakke kanten. Wel zijn alle Jenaplanscholen aan te spreken op de 20 Jenaplan basisprincipes.

De Jenaplanuitgangspunten zijn natuurlijk niet door de NJPV "uitgevonden" Het Jenaplanconcept werd al tussen 1920 en 1950 ontwikkeld door Peter Petersen op de Universiteitsschool in Jena. Het concept wordt voortdurend aangepast aan de omstandigheden in het onderwijs hier en nu.

Jenaplan, oorsprong, geschiedenis

In ons land zijn ruim 200 Jenaplanscholen, aangesloten bij de Nederlandse Jenaplanvereniging (NJPV ) met ongeveer 45.000 kinderen. Hieronder zijn openbare, protestants-christelijke, katholieke en algemeen bijzondere. De meeste daarvan zijn basisscholen. Er horen ook een tiental scholen voor voortgezet onderwijs bij. De schoolleden van de NJPV hebben alle dezelfde basisprincipes Jenaplan (zie verderop) aanvaard als kader voor ontwikkeling van hun school en in hun schoolplan opgenomen. Hiernaast zijn er ook enkele andere scholen die zich presenteren als Jenaplanschool maar geen NJPV - lid zijn, terwijl er ook veel andere door het Jenaplan geïnspireerde scholen zijn, die zich toch niet zo noemen. De naam Jenaplanschool ( hoewel onbeschermd) komt toch allereerst toe aan scholen die lid zijn van de NJPV en daarmee de gezamenlijke basisprincipes onderschrijven. De Jenaplanscholen vormen een onderdeel van de samenwerkende bewegingen van vernieuwingsscholen Montessori, Vrije School, Dalton en Freinet en anderen georganiseerd in de Samenwerkende Organisaties voor Vernieuwings-onderwijs (SOVO). Deze samenwerking tussen de vernieuwingsrichtingen wordt steeds intensiever, onder de noemer De pedagogische school.

Jenaplan basisprincipes

De basisprincipes Jenaplan geven het kader en de speelruimte aan voor de ontwikkeling van Jenaplanscholen. Voor een uitvoerige toelichting op de basisprincipes zie Both / Vreugdenhil, 1992.

  1. Elk mens is uniek; zo is er maar één. Daarom heeft ieder kind en elke volwassene een onvervangbare waarde.
  2. Elk mens heeft het recht een eigen identiteit te ontwikkelen. Deze wordt zoveel mogelijk gekenmerkt door: zelfstandigheid, kritisch bewustzijn, creativiteit en gerichtheid op sociale rechtvaardigheid. Daarbij mogen ras, nationaliteit, geslacht, seksuele gerichtheid, sociaal milieu religie, levensbeschouwing of handicap geen verschil uitmaken.
  3. Elk mens heeft voor het ontwikkelen van een eigen identiteit persoonlijke relaties nodig: met andere mensen; met de zintuiglijke waarneembare werkelijkheid van natuur en cultuur; met de niet zintuiglijk waarneembare werkelijkheid.
  4. Elk mens wordt steeds als totale persoon erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken.
  5. Elk mens wordt als een cultuurdrager en - vernieuwer erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken.
  6. Mensen moeten werken aan een samenleving die ieders unieke en onvervangbare waarde respecteert.
  7. Mensen moeten werken aan een samenleving die ruimte en stimulansen biedt voor ieders identiteitsontwikkeling.
  8. Mensen moeten werken aan een samenleving waarin rechtvaardig, vreedzaam en constructief met verschillen en veranderingen wordt omgegaan.
  9. Mensen moeten werken aan een samenleving die respectvol en zorgvuldig aarde en wereldruimte beheert.
  10. Mensen moeten werken aan een samenleving die de natuurlijke en culturele hulpbronnen in verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties gebruikt.
  11. De school is een relatief autonome coöperatieve organisatie van betrokkenen. Ze wordt door de maatschappij beïnvloed en heeft er zelf ook invloed op.
  12. In de school hebben de volwassenen de taak de voorgaande uitspraken over mens en samenleving tot (ped)agogisch uitgangspunt voor hun handelen te maken.
  13. In de school wordt de leerstof zowel ontleend aan de leef- en belevingswereld van de kinderen als aan de cultuurgoederen die in de maatschappij als belangrijke middelen worden beschouwd voor de hier geschetste ontwikkeling van persoon en samenleving.
  14. In de school wordt het onderwijs uitgevoerd in pedagogische situaties en met pedagogische middelen.
  15. In de school wordt het onderwijs vorm gegeven door een ritmische afwisseling van de basisactiviteiten gesprek, spel, werk en viering.
  16. In de school vindt overwegend heterogene groepering van kinderen plaats, naar leeftijd en ontwikkelingsniveau, om het leren van en zorgen voor elkaar te stimuleren.
  17. In de school worden zelfstandig spelen en leren afgewisseld en aangevuld door gestuurd en begeleid leren. Dit laatste is expliciet gericht op niveauverhoging. In dit alles speelt het initiatief van de kinderen een belangrijke rol.
  18. In de school neemt wereldoriëntatie een centrale plaats in met als basis ervaren, ontdekken en onderzoeken.
  19. In de school vinden gedrags- en prestatiebeoordeling van een kind zoveel mogelijk plaats vanuit de eigen ontwikkelingsgeschiedenis van dat kind en in samenspraak met hem.
  20. In de school worden verandering en verbeteringen gezien als een nooit eindigend proces. Dit proces wordt gestuurd door een consequente wisselwerking tussen doen en denken.

De jenaplankernkwaliteiten

Het jenaplanconcept is een concept, waarin relaties centraal staan:

    • De relatie van het kind met zichzelf
    • De relatie van het kind met de ander en het andere
    • De relatie van het kind met de wereld

Om het belang van deze relaties in het jenaplanonderwijs te tonen, zijn er twaalf kernkwaliteiten geformuleerd. Een jenaplanschool richt de omgeving zodanig in, dat deze kwaliteiten gerealiseerd worden.

1. Relatie van het kind met zichzelf

Jenaplankernkwaliteiten

    • Kinderen leren kwaliteiten/uitdagingen te benoemen en in te zetten, zodanig dat zij zich competent voelen.
    • Kinderen leren zelf verantwoordelijkheid te dragen voor wat zij willen en moeten leren, wanneer zij uitleg nodig hebben en hoe zij een plan moeten maken.
    • Kinderen worden beoordeeld op de eigen vooruitgang in ontwikkeling.
    • Kinderen leren te reflecteren op hun ontwikkeling en daarover met anderen in gesprek te gaan.

Sleutelwoorden/zinnen

    • Dialoog van het kind met zichzelf
    • Uitgaan van verschillen
    • Uitgaan van de kracht en kwaliteit van elk kind
    • Recht om zich competent te voelen. Recht op succeservaringen
    • Werken met de zone van naastbije ontwikkeling
    • Betekenisvol onderwijs
    • Plezier in leren  Werken met onderzoeksvaardigheden op basis van eigen vragen
    • Autonomie
    • Morele ontwikkeling

2. Relatie van het kind met de ander en het andere

Jenaplankernkwaliteiten

    • Kinderen ontwikkelen zich in een leeftijdsheterogene stamgroep.
    • Kinderen leren samen te werken, hulp geven en ontvangen met andere kinderen en daarover te reflecteren.
    • Kinderen leren verantwoordelijkheid te nemen en mee te beslissen over het harmonieus samenleven in de stamgroep en school, opdat iedereen tot zijn recht komt en welbevinden kan ervaren.

Sleutelwoorden/zinnen

    • Leven/werken in een stamgroep en school.
    • Jezelf leren kennen in relatie met anderen.
    • Aandacht voor de (niet-) zintuigelijk waarneembare werkelijkheid.
    • Meerwaarde van samen ontdekken.
    • Verschillen bij andere kinderen herkennen en respecteren.

3. Relatie van het kind met de wereld

Jenaplankernkwaliteiten

    • Kinderen leren dat wat ze doen er toe doet en leren in levensechte situaties.
    • Kinderen leren zorg te dragen voor de omgeving.
    • Kinderen passen binnen wereldoriëntatie de inhoud van het schoolaanbod toe om de wereld te leren kennen.
    • Kinderen leren spelend, werkend, sprekend en vierend volgens een ritmisch dagplan.
    • Kinderen leren initiatieven te nemen vanuit hun eigen interesses en vragen.

Sleutelwoorden/zinnen

    • Onderwijs in samenhang in betekenisvolle, levensechte contexten.
    • Relatie cursus en WO.
    • Toegepast leren.
    • Werken met primaire bronnen.
    • Betekenisvol onderwijs.

Jenaplan in ons land

In ons land ontdekte Suus Freudenthal- Lutter (1908-1986) in 1955 het Jenaplan van Petersen. Zij was als internationaal secretaris actief in de Werkgemeenschap voor Vernieuwing van Opvoeding en Onderwijs, waarvan Kees Boeke toen voorzitter was. Als moeder was zij teleurgesteld in het onderwijs aan haar kinderen. In het Jenaplan van Petersen ontdekte zij de school waar zij al lang naar op zoek was. Met al haar denkkracht, energie en organisatietalent mag Suus Freudenthal met recht de moeder van de Nederlandse Jenaplanbeweging genoemd worden. In 1968 werd de Stichting Jenaplan opgericht. Er verscheen ook een kwartaaltijdschrift, Pedomorfose ( dat in 1981 stopte en enkele jaren later werd opgevolgd door het blad Mensen-kinderen). De eerste Jenaplanschool in ons land dateerde van 1962. Het aantal scholen groeide snel.

Opleiding, nascholing, begeleiding, ondersteuning

Vanaf 1974 ontwikkelden zich opleidingen voor Jenaplanonderwijs, als verbijzonderingen binnen een aantal PABO's. Vanaf 1981 ontwikkelde zich de nascholing. In 1986 werd het Jenaplan- diploma (te behalen in de initiële opleiding en via nascholing) door het Ministerie erkend als aanvullend bewijs van bekwaamheid dat een bevoegd gezag bij benoemingen kan eisen. In 1974 kwam er een landelijk medewerker voor het Jenaplan-onderwijs bij de Landelijke Pedagogische Centra, gestationeerd bij het CPS. Er ontwikkelde zich, geschoold en ondersteund door deze landelijk medewerker, een netwerk van medewerkers met een Jenaplan- verbijzondering van schoolbegeleidingsdiensten. Later (vanaf 1990) kwam daar de Stichting Jenaplan Ondersteuning (SJPO) bij, als landelijk opererende ondersteuningsinstelling, inmiddels omgedoopt tot Landelijk Bureau voor Vernieuwend Onderwijs (LBVO) en tevens werkzaam voor andere vernieuwende scholen, waaronder Freinet- en Montessorischolen.

Regio's van scholen vormen de basis van de NJPV en leveren vertegenwoordigers in een landelijk bestuur, de Vereningingskring. Een functioneel leider is voor enkele dagen per week vrijgesteld om het werk van de vereniging te coördineren. Jaap Meijer is op dit moment functioneel leider. Vanaf 1999 kent de NJPV de functie van studiesecretaris, ingevuld door Kees Both. Dit gebeurde nadat CPS de functie landelijk medewerker voor Jenaplan heeft opgeheven.

Internationaal

Ook internationaal zijn er veel Jenaplan-contacten. Er zijn Jenaplanscholen in Duitsland, België (de Ostkantonen en ook enkele in Vlaanderen, met bovendien een Studiegroep Jenaplan in Vlaanderen), de Tsjechische Republiek, Hongarije, Rusland, Roemenië en andere landen in Oost- en Midden Europa, beginnende ontwikkelingen in Oostenrijk, Franstalig België en elders. Bovendien zijn er contacten met zeer verwante scholen en instellingen in Groot-Brittannië en de USA.

Het begin van de Jenaplan-historie; Peter Petersen

De naam Jenaplanschool is bedacht door enkele Amerikaanse deelnemers aan een internationaal pedagogisch congres van de New Education Fellowship. Daar stelde professor Peter Petersen uit Jena de aan de universiteit aldaar verbonden experimenteer- en oefenschool voor. Naar analogie van diverse andere plans (Dalton-plan, Winnetka-plan e.a.). Uit die tijd betitelden genoemde toehoorders de school van Petersen als Jenaplan. Petersen nam dit over en maakte een korte beschrijving van het concept van deze school, onder de titel het Kleine Jenaplan. Hiernaast is er ook nog het uit meer delen bestaande grote Jenaplan.

In 1923 werd Petersen hoogleraar Erziehungswissenschaft in Jena. In 1924 startte een bescheiden experiment met een andere opzet van het onderwijs, waarbij kinderen in een naar leeftijd gemengde groep, stamgroep genoemd, onderwijs kregen. Dit groeide vervolgens uit tot een school voor 6-15 jarigen, later uitgebreid met een Kindergarten en groepen voor speciaal onderwijs. Belangrijk was ook het onderzoek in de praktijk ( padagogische Tatsachenforschung ) dat in deze school verricht werd, met name ook door Petersens vrouw, Else. Na de oorlog ontwierp Petersen op grond van zijn ervaringen en inzichten een totaalopzet voor het onderwijs voor kinderen van 4-18 jaar. Zijn onderwijskundige hoofdwerk is de Führungslehre des Unterrichts, vertaald als Van didactiek naar onderwijspedagogiek. Tijdens de Nazi-tijd stonden Petersen en zijn school onder grote druk, maar de school kon open blijven. Dit heeft geleid tot kritische beschouwingen over de persoon en denkbeelden van Petersen. Hij doorstond de denazificatie processen na de oorlog en de Jenaplanbeweging in ons land heeft de kritiek op zwakke plekken in het Jenaplan van Petersen serieus genomen in de eigen basisprincipes en in de aandacht voor kritisch denken. Na de oorlog, toen Jena in de Russische bezettingszone lag, kreeg Petersen problemen met de communistische autoriteiten en in 1949 werd de school gesloten. Hij emigreerde naar West-Duitsland, waar hij in 1953 overleed. In West-Duitsland ontstonden in de jaren '50 en '60 verschillende Jenaplanscholen, welke echter bij de schaalvergroting in het onderwijs in de zestiger jaren voor een belangrijk deel weer verdwenen.